Gedicht uit de fles deel 1


 

Ammerstol, 2 maart 1927.

 

Geschreven ter herinnering aan het restaureren van deze kerk.

 

Aan  de vinder,

 

Is men gaan zitten om te dichten, maar niet

weet hoe men beginnen zal

heb dit zelfs nooit gedaan  dan is dat vanzelf

een lastig geval.

Ik wil u vertellen van deze tijd en over ons werk

gezamenlijk verricht is deze kerk.

 

’t Was op een vrijdag, den eerste van Maart

toen we allen om de groote kachel stonden geschaard.

Om ons te verwarmen tegen de felle kou

Je zult wel denken, hoe heb ik het nou.

Was het dan om die tijd nog zoo koud?

Ja, goede vrienden, wij verbranden zelfs het hout

uitgebroken uit den toren.

waar pas een nieuw uurwerk was ingezet

om ons te verwarmen.

Nou ik gun je de pret.

 

Laat ik je tusschen twee haakjes, even vertellen

misschien zal je er ons om benijden.

dat men op de rivier de Lek, ja overal

nog volop schaatsen kon rijden.

Maar om terug te komen op wat ik wou gaan zeggen

er werd toen voorgesteld om deze flesch met rijmen

op deze plaats te liggen

waarin in ’t kort, en ieder op zijn wijs,

iets zegt hier over ’t werk en het langdurige ijs.

 

Dit is toen ook gebeurd, en ik wil hierbij vermelden

dat dominee Hugenholtz: een van de vredeshelden

Die strijder tegen menschenmoord en onrechtvaardigheid

door zijn welsprekendheid, voor ons den tijd heeft voorbereid

naar beter toekomst, naar meer geluk en vree

hier predikant was, en velen streden mee

om ons nageslacht voor zulk een ellende te sparen.

 

Zoals wij hebben beleefd, nu geleden ruim tien jaren

die groote slachting, die lage volkerenmoord

waarvan gij uit ’t verleden toch wel eens hebt gehoord.

 

Nu menschen eindig ik, het ga u allen goed

De kurk moet op de flesch, zoodat ik wel eindigen moet

 

A. Brandt Gzn

Ammerstol