Gedicht uit de fles deel 3


1929

’t Wintert, ’t wintert, wat een strop
’t wintert door en ’t houd niet op
’t Is nu reeds de 4e Maart
En het vriest nog steeds ontaard
Ieder hunkert naar den dooi
Maar de Lek zit wonder mooi
De ooren vriezen van je kop
Winter, Winter, houdt toch op

De stijl van ’t schrift is wel wat raar
Maar de nieuwe spelling is nog niet klaar

Maar bij al die narigheid
Werden wij plotseling verblijd
Door een boodschap van de kerkeraad
Het klonk krachtig en kordaat
De kerk moet wat opgeknapt
Zie maar dat je het handig lapt
Maan de Jong en de Gebr. Band
Namen kwasten en schrappers ter hand
Bij dat geschrap ondervond men alras
Dat de preekstoel en de heerenbank van eikenhout was
Deze bank was afkomstig van de ambtsheer van Hardenbroek
Zat onder de verf zo dik als een koek
Ook het hek bleek uit de oude kerk afkomstig te zijn
Hij paste bij de rest zowel in kleur als in lijn
Baas Kok sprak ik sta jullie borg
Dat is werk voor monumentenzorg
Wij hebben toen zaag en schaaf gegrepen
En de boel vermaakt naar ’t plan van Pepe
We stoken in de kerk dat ’t naar is
Gelukkig dat de boel haast klaar is
We stoken de kerkeraad nog arm
Maar in de kerk is’t lekker warm
Zo’n kerk is wel een prachtig ding
Als ’t altijd maar als nu hier ging.
De leus der kerk is “Vrede op aard”
Want anders is’t geen stuiver waard
Wanneer gij deze regels vind
Onthoud dan dit mijn beste vrind
Dat ieder mensch hier op deez aard
Zijn medemensch, d’’ellende spaart
’t zij welk volk, ’t zij welk bloed
naastenliefde ’t hoogste goed

Zoals je hier onder ziet
Ik ben dichter Speenhof niet
‘K zal liegen als het anders was
ik heet Mar van As
Geb. 15 september 1905