Gedicht uit de fles deel 4


Ammerstol, 4 maart 1929

Ik moest een rijmpje maken
over ’t verfwerk van de kerk.
We hadden af staan spreken
dus kon ik mijn woord niet breken
‘k had liever niet gedaan
Ik dacht maar ’t zal niet gaan
Ik zal het dus probeeren,
mischien dat ik ’t nog leeren,
Mooi zal mijn rijm niet zijn
maar lezer doe wat water in de wijn,
al zoo werd er besloten
alhier met meer dan zes,
de rijm dan in te sluiten
onder de vloer in ’n flesch
al voor mijn nageslacht
die er nooit op hebben gewacht
en er misschien om lacht.
Het verfwerk was erg schraal
maar dat was geen wonder
Als verf 49 jaar heeft gezeten
dan is het wel versleten.
De mooie eiken nerf
zat toen ook vol met verf.
Maar ’t was rottig en kapot
dat was een jammer lot.
En toen op een keer
kwam er gelukkig een heer
die zei ‘k wild zien gerestoreerd
Die grap ging aan
En ’t werd gedaan
En ’t werd betuigd zeer toe gejuigd.

We hebben het van de verf ondaan
En zagen alle mooier aan Het eikenhout is eikenhout.
’t is buiten minder koud
Het eikenhout en de borden aan de muur
heeft al een langen levensduur.
Zoo ver als wij werden gewaar
In 1929 al twee honderd twee en vijftig jaar
Dus nageslacht voor een aardigheid
maakt nog iets, voor een langer tijd?

Het oude gaat u voorbij
Het nieuwe komt vanzelf
Wij hoopen dat er vrede zij
ook onder ’t blauw gewelf
Wij wenschen u een mooie kerk
in geestelijken zin
en dat steeds groeit het vredeswerk
’t is nu nog maar ’n begin
Er zijn nog zooveel kerken
waar heerst de zelfzucht
Zoo lang dit in de wereld blijft
daar is een poppenklucht
Een wereld kan wel beter zijn
van goede materialen
maar als de zelfzucht heerschen blijf
waar zou u die dan halen ?
Bouwt ieder dus aan eigen ziel
al naar zijn beste krachten
dan moet de oorlog er vandoor
en zal u beter wachten !

P.S.
Hiermede is mijn rijm gedaan
Het werk is nog niet klaar
Maar ‘k moest me haaste ’t was mijn plicht
Anders kon de vloer niet dicht
H. de Jong Sr