Wij zijn Hollandski, kameraadski’

Ammerstollenaar Krijn van de Werken behoorde tot de Krimpenerwaardse jongemannen, die in juni 1943 in het Duitse Malchin te werk werden gesteld om spoorwagons te repareren. Twee jaar later werden ze door de Russen bevrijd. Van de Werken (89) hield de gebeurtenissen in een dagboek bij.

De groep waarmee de Ammerstollenaar in een stad ten noorden van Berlijn werd gestationeerd, bestond uit Arie van der Heul en Jan Heerens uit Schoonhoven, Albert Klein en Gijs Graveland uit Stolwijk, Kees de Vrij en Piet Oosterom uit Gouderak en Huibert Maat uit Ouderkerk aan den IJssel. “Na de werkzaamheden voetbalden we ‘s avonds op een weiland achter het station. Ik was destijds midvoor bij Ammerstol en ik scoorde nogal eens. Dat was ook leden van de plaatselijke voetbalclub opgevallen. Ze vroegen mij om met vv Malchin een proefwedstrijd te spelen tegen de Hitler-Jugend. We wonnen met 8-1 en ik werd goed genoeg bevonden voor de Duitse competitie. Dat duurde overigens niet lang, want de Duitse legerchef vond dat ‘die Hollander’ zijn plaats moest afstaan aan vermoeide soldaten, die van het oostfront waren teruggekeerd. Dat was trouwens goed te zien in het veld, want veel spelers misten vingers, oren of zelfs een halve arm.”

Krijgsgevangenen

Van de Werken moest zich vermaken met wedstrijden tegen krijgsgevangenen uit de omgeving van Malchin. “Dat waren landenteams. In dit dagboek heb ik staan: 3 oktober 1943: Holland-Frankrijk 3-1. Dat waren vinnige potjes. Beide teams werden aangemoedigd door landgenoten en gingen tot het gaatje.”

Intussen vlogen steeds meer Engelse bommenwerpers naar de Duitse industriesteden en rukten de Russen op via Polen. Van de Werken bivakkeerde in een landbouwgebied dat voor bombardementen bespaard bleef. “De Duitse bevolking werd steeds nerveuzer. De mensen waren bang voor de Russen. Uit Polen stroomden vluchtelingen onze kant op. Het werd een chaos. Toen de Russen in april 1945 de stad innamen, hebben wij, de Hollanders, snel rood-wit-blauwe lintjes op onze jassen gespeld. We waren als de dood dat ze ons voor Duitsers zouden aanzien. Toen de eerste Russen met hun tanks de fabriek naderden, zijn we naar buiten gelopen en schreeuwden: ‘Hollandski, kameraadski’. Gelukkig begrepen ze die boodschap en mochten we zelfs met een glas wodka proosten op het einde van de oorlog. Ik had nog nooit alcohol genuttigd en dacht dat m’n maag zich omdraaide. Die Rus goot het glaasje lachend in een teug naar binnen.”

Het werd nog even spannend, toen enkele achtergebleven Duitse soldaten pantservuisten wierpen naar de Russische tanks. “Uit wraak hebben ze toen Malchin in de as gelegd. De Russen hadden veel geleden tijdens de Duitse opmars in 1941. Duitse vrouwen werden meermalen verkracht. Wij zijn door Russische legervoertuigen naar de Amerikaanse sector gereden. Een maand later was ik thuis.”

Bron: het Kontakt/Pieter van der Laan